- hook
- n. haak; ophang-haak--------v. vangen; (om-) buigen; vastmakenhook1[ hoek] 〈zelfstandig naamwoord〉1 (telefoon)haak2 vishoek ⇒ vishaak; 〈figuurlijk〉 val(strik), klem3 hoek ⇒ kaap, landtong4 〈golf, cricket〉boogbal5 〈boksen〉hoekstoot♦voorbeelden:1 hook and eye • haak en oogoff the hook • van de haak 〈telefoon〉3 the Hook (of Holland) • Hoek van Holland¶ 〈informeel〉 hook, line and sinker • helemaal, van a tot z〈Brits-Engels; slang〉 sling/take one's hook • ervandoor gaanby hook or by crook • hoe dan ook, op eerlijke of oneerlijke wijze〈informeel〉 get/let someone off the hook • iemand uit de puree halen————————hook2I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 vast gehaakt worden/zijn♦voorbeelden:1 this dress hooks up at the back • deze jurk gaat van achteren met haakjes dichtII 〈overgankelijk werkwoord〉1 vastgrijpen met een haak ⇒ vasthaken, aanhaken2 aan de haak slaan 〈ook figuurlijk〉 ⇒ strikken, bemachtigen3 〈cricket, golf〉als rechtshandige de bal hoog en hard naar s slaan 〈in cricket een goede slag, in golf een fout〉4 〈boksen〉een hoekstoot geven♦voorbeelden:1 hook on • vasthaken→ hook uphook up/
English-Dutch dictionary. 2013.